NL FR

Onze Stichter: Petrus-Jozef Triest

Als kind

Petrus-Jozef Triest werd geboren als negende kind van veertien in het gezin van de smid Jan Triest en Cecilia Mello. Hij groeide op in Brussel en liep lagere en middelbare school bij de jezuïeten en wellicht de augustijnen. Vanaf september 1776 vervolgde hij zijn opleiding aan de Latijnse School in Geel, de gemeente met thuisverpleging van psychisch zieken. Wellicht beïnvloedde de confrontatie met dit menselijk leed zijn verdere activiteiten.

In 1780 ging hij naar de Universiteit Leuven en twee jaar later trad hij binnen in het seminarie van Mechelen. Hij werd, samen met zijn jongere broer en met een aantal andere seminaristen op 10 juni 1786 tot priester gewijd. Hij maakte de Brabantse revolutie mee alsook de moeilijke jaren van de opeenvolgende machtsgrepen van de Franse revolutionairen en van de Oostenrijkse legers.

Tijdens de Franse overheersing weigerde Triest de eed van trouw aan het burgerlijk gezag af te leggen en verdween in de clandestiniteit.

Start van zijn engagement

Vanaf 1800 werd, op bevel van consul Bonaparte, de jacht op onbeëdigde priesters gestopt. Triest kon stilaan weer in de openbaarheid verschijnen. Om de onrust met de gezagsdragers te milderen werd Triest tot pastoor benoemd in het rustige Lovendegem, dicht bij Gent.

De armoede en proletarische toestanden die hij vaststelde zetten hem ertoe aan om dit aan te pakken. Hij liet zich al vlug omringen door welmenende juffrouwen, die de basis vormden van de vrouwencongregatie die hij in 1804 stichtte en die de bisschoppelijke goedkeuring kreeg.

De Gentse bisschop Etienne Fallot de Beaumont maakte nader kennis met Triest en vond in hem zoveel gaven dat hij hem niet in een kleine parochie liet, maar hem naar Gent overplaatste waar hij voor hem in de zieken- en armenzorg grote ambities koesterde.

Met de steun van de bisschop en langs hem van de prefect van het departement van de Schelde, Guillaume Faipoult, en van de burgemeester van Gent, Joseph della Faille d'Assenede, speelde Triest bijna onmiddellijk een belangrijke rol in Gent.

Hij bracht de door hem in Lovendegem gestichte congregatie, van Zusters van Liefde van Jezus en Maria met zich mee en nam met hen zijn intrek in de voormalige abdij Ter Hagen, in de Molenaarsstraat, waar een ziekenhuis voor ongeneeslijke zieken werd ingericht. De vrouwencongregatie groeide snel aan.

1807: Een sleuteljaar

Het jaar 1807 kan worden beschouwd als een sleuteljaar in het leven van Triest, het jaar van zijn doorbraak in Gent. Hij werd lid van het Bestuur van de Burgerlijke Godshuizen en bleef dit tot aan zijn dood. Hij werd weldra de spilfiguur rond wie alles draaide wat betreft de armenzorg, de sociale huisvesting, de zorg voor weeskinderen en vondelingen, voor bejaarden en voor mentaal gestoorden, het militair hospitaal, de begijnhoven, het werkhuis voor bedelaars en landlopers, enz.

Zo werd hij directeur van het aloude ziekenhuis van de Bijloke, lid van een nieuw opgericht 'Comité voor Orde en Spaarzaamheid' dat alle uitgaven en aankopen binnen de Burgerlijke godshuizen moest controleren, directeur van de twaalf zogenaamde 'kleine gestichten' of tehuizen voor behoeftige bejaarden, algemene voogd van wezen, vondelingen en verlaten kinderen, directeur van het Sint-Janshospitaal voor vondelingen en van het 'Kulderhuis' voor wezen, crisismanager in het militair hospitaal, proost van de vereniging Les Dames de la Charité Maternelle (die voor zuigelingen en hun moeder zorgde). Onder het Verenigd koninkrijk (na 1815) werd hij ook nog verantwoordelijk voor het Bedelaarswerkhuis, bestuurslid van het Werk der gevangenen, directeur van de Berg van Barmhartigheid en van de Bank van Lening die er van afhing. In 1832 maakte hij deel uit van het 'Comité van Preventie' dat een cholera-epidemie moest bestrijden.

De stichting die Triest het nauwst aan het hart lag was die van de Zusters van Liefde. In 1806 was hij naar Parijs gereisd om er de goedkeuring of minstens de gedoogsteun voor zijn stichting te bekomen en in 1816 trok hij naar Rome om goedkeuring voor de statuten van zijn congregatie te verkrijgen. Het aantal kloosterlingen nam toe en weldra kon Triest, naast het hospitaal Ter Hagen, het Sint-Jozefsgesticht voor zwakzinnige vrouwen en het instituut voor doofstomme meisjes dat hij in 1820 had opgericht, ook met stichtingen buiten Gent beginnen.

 

Broeders van Liefde

In 1807 werd Triest, in de schoot van de Burgerlijke godshuizen, belast met het zoeken naar een oplossing voor het Gentse gesticht voor bejaarde mannen, waar alles in het honderd liep. Hij nam het initiatief een broedercongregatie op te richten, de Broeders Hospitalieren van Sint-Vincentius, korte tijd later omgedoopt tot Broeders van Liefde. Naarmate hij jonge mannen kon motiveren om toe te treden, organiseerde hij instellingen met uiteenlopende doelstellingen: ziekenzorg, psychiatrische zorg, zorg voor blinde en doofstomme kinderen en lager onderwijs.

In 1815 nam Triest de verantwoordelijkheid op zich over het Gentse krankzinnigengesticht gevestigd in het 'Duivelsteen' en stelde Broeders van Liefde ter beschikking. Het werd een moeizame overgang van een nog middeleeuwse opsluiting naar een moderne behandeling van geestesgestoorden. Triest had hierbij de grote verdienste de jonge arts Jozef Guislain (1797-1860) aan te trekken. Samen stichtten ze een nieuw en modern instituut voor de verpleging van psychisch gestoorden, dat later de naam Dr. Guislaininstituut kreeg.

Vanaf 1814 begonnen de broeders ook onderwijs te geven aan Gentse volksjongens. In 1820 groeide dit uit tot een belangrijke lagere school.  In 1825 opende hij ook een school in Gent voor doofstomme en blinde jongens: het Sint Gregoriusinstituut.

In 1823 stichtte Triest de congregatie van de Broeders van Sint-Jan de Deo, met als doel het aan huis verplegen van zieken. Het succes was minder groot dan voor zijn twee eerste congregaties. In 1946 ging deze congregatie op in die van de Broeders Hiëronymieten.

In 1833 stichtte de opvolger van Triest, kanunnik De Decker, onder diens hoede de congregatie van de Zusters Kindsheid Jesu. Ze richtte zich specifiek op de zorg voor weeskinderen. In de herfst van zijn leven was Triest niets méér dan de 'peetvader' voor deze nieuwe stichting.

 

 


© fracarita.org - disclaimer - privacy info